woensdag 9 december 2009

Plansee-Oostenrijk (14)

Plansee, Tirol
Der Plansee liegt nahe den Gemeinden Breitenwang und Heiterwang im Bezirk Reutte, Tirol, Österreich innerhalb der Ammergauer Alpen.
Der See, der sich rund 7 km Luftlinie südwestlich des Ammersattels befindet, ist durch einen 1908 erbauten, etwa 300 m langen Kanal mit dem ursprünglich etwa 68 cm [1] höher gelegenen Heiterwanger See verbunden, von dem er, neben den weiteren Zuflüssen Spießbach und Torsäulenbach, sein Wasser bezieht. Im Nordwesten hat der Plansee einen Abfluss durch den sogenannten Kleinen Plansee und über den Archbach zum Lech. Er besitzt zwei Becken mit 78 und 72 m Tiefe auf einer Fläche von insgesamt 2,87 km² und ist damit der größte See im Bezirk (Außerfern).
Der See wird zusammen mit dem Heiterwanger See von den Elektrizitätswerken Reutte als Speicher genutzt, im Winterhalbjahr wird der Wasserspiegel abgesenkt. Ähnlich wie beim Heiterwanger See belegen auch beim Plansee die geringen Biomassen von Schwebealgen und die hohen Sichttiefen (bis zu 15 m) Nährstoffarmut und damit einen ausgezeichneten Gewässerzustand.
Am Plansee bzw. am Heiterwanger See verkehrt eine der höchstgelegenen kommerziellen Schiffahrtslinien in Österreich, die von Ende Mai bis in den Herbst Rundfahrten anbietet.
In der gleichnamigen Ortschaft Plansee (Gemeinde Breitenwang) existiert ein Campingplatz, das Hotel "Forelle", ein Tauchercamp, sowie eine planmäßig angesteuerte Schiffsanlegestelle.
Am Nordufer des Plansees verläuft die über den Ammersattel führende Straße zwischen Reutte und Ettal bzw. Oberammergau.
-------------------------------------------------------------------------------
De Plansee is een meer in de Oostenrijkse deelstaat Tirol. Het meer ligt ten oosten van Reutte, dicht bij de gemeenten Breitenwang en Heiterwang in het district Reutte.
Het meer, gelegen op een hoogte van 976 meter, heeft een oppervlakte van 2,87 km², bij een maximale lengte van zes kilometer en een maximale breedte van een kilometer, en is daarmee het grootste meer in de Außerfern. Op het diepste punt is het meer 78 meter diep. Het ligt hemelsbreed ongeveer zeven kilometer ten zuidwesten van de Ammersattel. Het ontvangt water via twee riviertjes en de waterafvloed van het meer gaat via de Archbach naar de Lech.
De Plansee is via een kanaal verbonden met de Heiterwanger See. Beide meren hebben een belangrijke functie bij de opwekking van elektriciteit. Op de Plansee en de Heiterwanger See bestaat de hoogstgelegen commerciële scheepvaart van Oostenrijk, omdat er van eind mei tot in de herst rondvaarten worden aangeboden.
Langs de noordoever loopt de over de Ammersattel lopende weg tussen Reutte en het Duitse Ettal.

Heidelberg-Duitsland (62)

Heidelberg (1957)
Blick auf den Neckar.
Alte Brücke, Schloß und Heiliggeistkirche
Heidelberg is een stad in het noordwesten van de Duitse deelstaat Baden-Württemberg. De stad telt 144.634 inwoners en ligt overwegend aan de westelijke oever van de Neckar.
Heidelberg is vooral bekend als universiteitsstad en vanwege het historische centrum van de stad.
Geschiedenis
Het gebied rond Heidelberg is al zeer lang bewoond. In 1196 werd de stad voor het eerst in officiële documenten genoemd. De Ruprecht-Karls-Universität, die in 1386 gesticht werd, is de oudste universiteit op het grondgebied van het tegenwoordige Duitsland. Vanaf de Middeleeuwen tot 1720 was Heidelberg de residentie van de paltsgraaf aan de Rijn, één van de keurvorsten van het Heilige Roomse Rijk.
In 1563 werd de Heidelbergse Catechismus uitgegeven. Anton Praetorius, gereformeerde pastor, publiceerde in 1595 de oudste omschrijving van het Grote Vat van de Wijn in het Heidelbergse kasteel. De stad speelde een belangrijke rol in de eerste fase van de Dertigjarige Oorlog. In 1622 werd de stad veroverd door Johan 't Serclaes van Tilly. Heidelberg werd in 1689 (en opnieuw in 1693) veroverd en verwoest door de Fransen. In 1860 waren Robert Bunsen en Gustav Kirchhoff de grondleggers van de spectraalanalyse. De stad is redelijk ongeschonden de Tweede Wereldoorlog doorgekomen.

Essen-Duitsland (61)

Essen, am Baldeneysee

Essen is een stadsdistrict (kreisfreie Stadt), gelegen in het Ruhrgebied in de Duitse deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen. Op 31 december 2006 telde Essen 579.759 inwoners.
Zoals meer steden in het Ruhrgebied heeft de stad geen historische binnenstad. Deze is in de Tweede Wereldoorlog grotendeels verwoest. Hoewel de stad is ontstaan in 845, begon ze pas in de 19e eeuw te groeien tot een stad van enig belang. De stad kent veel fabrieken en andere industriële gebouwen die deels gesloten zijn.
De bekendste firma die in de stad gevestigd is, is de staalfirma Friedrich Krupp AG, opgericht door de industriële familie Krupp, en in 1999 met Thyssen gefuseerd tot ThyssenKrupp. Villa Hügel, het voormalige woonhuis van deze familie aan de Baldeneysee, is enorm van omvang. Tegenwoordig worden er regelmatig tentoonstellingen gehouden.
De stad kent diverse hoge gebouwen. Het bekendste is de RWE Turm (127 meter), het hoofdkantoor van RWE AG. Daarnaast heeft Essen het hoogste stadhuis van Duitsland (106 meter).
De buitenwijken van Essen bestaan uit talrijke agglomeraties die vroeger aparte dorpen vormden. In het stadsdeel Katernberg ligt de Zeche en Kokerei Zollverein. Dit voormalig industriële complex met onder meer een kolenmijn staat op de Werelderfgoedlijst van de UNESCO vanwege de unieke Bauhaus-architectuur. Onderdelen van de stad zijn o.a. Heidhausen, Bredeney, Kupferdreh, Dilldorf, Werden en Kettwig.
Essen heeft een rijk cultureel leven. Zo is er het bekende Aalto-Theater, de onlangs volledig gerenoveerde Philharmonie, het Grillo Stadttheater, en ook de gerenommeerde bioscoop de Lichtburg. In het Museum Folkwang worden regelmatig grote overzichtstentoonstellingen gehouden.In 2010 is Essen, samen met Istanbul en Pecs, Culturele Hoofdstad.
Het stadsbeeld wordt bepaald door de na de zware oorlogsverwoestingen verrezen nieuwbouw. Het historisch middelpunt van de stad is de romaanse kathedraal. Verder kent de stad nog een aantal middeleeuwse kerken.
-------------------------------------------------------------------
Der Baldeneysee
Der Baldeneysee ist mit Abstand der größte der sechs Ruhrstauseen. Er liegt im Süden der Stadt Essen zwischen den Stadtteilen Werden, Bredeney, Heisingen, Kupferdreh und Fischlaken. Betreiber der Stauanlage Baldeneysee ist der Ruhrverband.
Nach ersten Planungen im Jahre 1927 durch den ersten Ruhrverbands-Geschäftsführer Karl Imhoff, der weitere Ruhrstauseen plante, und der Stadt Essen entstand zwischen Juli 1931 und März 1933 in Werden ein Ruhr-Stauwehr. Der Baldeneysee war als Absetzbecken für Schwebstoffe errichtet worden, denn durch die Verbreiterung und die daraus verringerte Fließgeschwindigkeit konnte sich die Ruhr auf natürliche Weise durch Sedimentation und Abbau von Verunreinigungen durch Mikroorganismen selbst reinigen. Diese Aufgabe übernimmt der See zwar heute noch, dennoch dienen heute in erster Linie zahlreiche Kläranlagen der Gewinnung von Trinkwasser. Damals versuchte man, die Wasserversorgung trotz steigender Verbräuche und qualitativer Verschlechterung durch Industrie und Bevölkerungsanstieg zu gewährleisten. Die bereits erfolgreich gebauten Seen Harkort- und Hengsteysee bestätigten das Vorhaben.
Der Name Baldeneysee stammt daher, dass erste Planungen das Stauwehr in Höhe des Schlosses Baldeney im Ortsteil Baldeney vorsahen. Da sich dieses Vorhaben wegen zu geringen Gefälles und daher zu geringer Stromerzeugung als unwirtschaftlich herausstellte, entschied man sich, das Stauwehr weiter flussabwärts bei Werden zu errichten. Die ersten Arbeiten am See wurden in der Bevölkerung zunächst als ökologische Katastrophe gesehen, da sie ihr lieb gewonnenes Ruhrtal schwinden sah[1]. Zum Bau des Sees wurden Grundstücke von Krupp benötigt. Als Gustav Krupp von Bohlen und Halbach aber zugesichert bekam, dass man den See von seiner Villa Hügel aus werde sehen können, stimmte er dem Bau zu.
Als die Baustelle im Dezember 1931 nach sieben Monaten Bauzeit bankrott war, bediente man sich ab Frühjahr 1932 bis zu 2.000 Arbeitern im Rahmen des Reichsarbeitsdienstes. So profitierte der Ruhrverband durch die Einnahme von Darlehensgeldern aus der Erwerbslosenfürsorge für den Bau[1]. Die Arbeiter waren oft nur mit primitiven Werkzeugen ausgerüstet und verdienten zwischen 1,- und 1,80 Reichsmark, zusätzlich gab es für sie eine warme Mahlzeit am Tag.
Trotz der Verzögerungen Anfang 1932 wurde Ende Februar 1933 das Stauwehr fertig gestellt, so dass die Ruhr probeweise aufgestaut wurde. Im Mai desselben Jahres stellte man das Wasserkraftwerk im Baldeneyer Stauwehr in Dienst. Aufgrund der Machtübernahme der NSDAP im Januar 1933 gab es keine offizielle Einweihungsfeier. Der Ingenieur Karl Imhoff wurde 1934 von der NSDAP seines Amtes enthoben.
Am 1. Mai 1933 nahm die Weiße Flotte Baldeney, damals Verkehrsgesellschaft Baldeney, den Betrieb auf. Es gab drei Fähren für die Überquerung des Sees sowie drei Schiffe für Rundfahrten. Im ersten Jahr wurden eine halbe Million Fahrgäste gezählt. Eine neue Schleuse wurde im Stauwehr für Ausflugsschiffe und Freizeitkapitäne errichtet. Die alte Schleuse Neukirchen, die der Ruhrschifffahrt hauptsächlich zum Kohlentransport diente, fiel durch die Aufstauung des Baldeneysees trocken.
Ehemaliges Freibad Baldeney
Am Nordufer eröffnete 1937 das Freibad Baldeney. Es diente bis 1984 als Freibad mit einem Schwimmerbecken, zwei Nichtschwimmerbecken und einem abgegrenzten, im Baldeneysee befindlichen Sprungbecken mit Sprungturm. Für Kinder gab es eine Wasserrutsche. Als nach dem Zweiten Weltkrieg Essen von Engländern besetzt wurde, teilten diese zunächst das Bad in eine deutsche und eine englische Seite, was am 30. November 1949 wieder aufgehoben wurde. Am 26. Juli 1952 wurde das Bad wegen allgemein starker Ausbreitung der Kinderlähmung geschlossen. Man baute eine neue Chloranlage und 1954 eine Entwässerungsanlage ein. 1959 verzeichnete das Freibad Baldeney mit 327.800 Badegästen seinen höchsten Zulauf. Weil die Sanierungskosten für das inzwischen marode Bad zu hoch waren, wurden 1984 alle Schwimmbecken geleert und das Freibad geschlossen. Ein weiterer Grund für die Schließung war, dass die Schwimmbecken zuvor mit Grundwasser gespeist wurden. Durch den kontinuierlich fallenden Grundwasserspiegel wurde dieses zunehmend schwierig und schließlich nahezu unmöglich. Ein Jahr später wurde das vormalige Bad als trocken gelegtes Licht- und Luftbad wiedereröffnet. In diesem Jahr wurde das Sonnen oben ohne erlaubt. 1997 wurde der Sprungturm abgerissen; aus den sandgefüllten Schwimmbecken wurden Volleyballfelder. 2005 übernahm die Seaside Beach Club GmbH das Areal mit neuem Konzept.
Technik
Das Stauwehr des Sees von Essen-Werden her
Die Stauhöhe der 42,45 Meter langen und 6 Meter breiten Schleuse beträgt 8,70 Meter. Diese ergeben sich aus etwa 5 Meter hoch aufgestautem See und rund 3,5 Metern Absenkung des Unterwassers durch Abbau zweier alter Wehre bei der trocken gelegten Schleuse Neukirchen. Das Stauwehr hat drei 33,5 Meter breite, durch Hubwalzen verschließbare Öffnungen. Das Laufwasserkraftwerk produziert heute Elektrizität mit Hilfe zweier Kaplanturbinen von bis zu 10 Megawatt bei einem maximalen Wasserdurchfluss von zusammen 150 m³/s. So können jährlich durchschnittlich 28 Millionen kWh Strom erzeugt werden. Als Notreserve zur Versorgung des Wasserwerkes gibt es eine Rückpumpturbine, die 8 m³/s vom Unterwasser in den See zurück befördern kann. Diese Turbine kann im Generatorbetrieb jedoch auch weitere 1.000 Kilowatt Strom erzeugen.
Der Stauraum des Sees, der eine mittlere Tiefe von 3,14 Metern hat, umfasste ursprünglich 8,3 Millionen Kubikmeter, veränderte sich aber durch Sedimentablagerung so, dass er nach 50 Jahren Betriebszeit, trotz Bergabsenkungen, auf 6,5 Millionen Kubikmeter zurückgegangen war. Daraufhin wurde der Baldeneysee zwischen April 1983 und Mai 1984 soweit ausgebaggert, dass heute ein Stauvolumen von etwa 7,6 Millionen Kubikmeter vorhanden ist.
Nach etwa 75 Jahren Betriebszeit werden zurzeit die Schleusentore samt Antrieben und sicherheitstechnischen Komponenten erneuert, ebenso die komplette Elektro- und Automatisierungstechnik.
Der See als Naherholungsgebiet
MS Stadt Essen der Weißen Flotte auf dem Baldeneysee
Der Baldeneysee ist heute ein Wassersportparadies und Naherholungsgebiet. Die Schiffe der Weißen Flotte verkehren in den Sommermonaten nach Fahrplan zwischen dem Stauwehr in Werden und der ehemaligen Eisenbahnbrücke, heute Fußgängerbrücke, die Heisingen mit Kupferdreh verbindet. Ein Haltepunkt befindet sich unterhalb der Villa Hügel, ein anderer schräg gegenüber am Südufer von Haus Scheppen, einem ehemaligen adeligen Lehnsgut aus dem 13. Jahrhundert, an dem sich heute ein Motorradtreff, ein Campingplatz und ein Yachthafen befinden. Am Ufer des Baldeneysees in Heisingen liegt ein großes Vogelschutzgebiet, welches mit einem geschützten Sumpfgebiet als Brutrevier für Haubentaucher, Kormorane, Reiher und andere bedrohte Vögel dient.
Am Süd-Ost-Ufer verläuft die historische Hespertalbahn. Am Nordufer steht der denkmalgeschützte, gut erhaltene Förderturm der Zeche Carl Funke. An den Hängen liegen die Villa Hügel, die Ruine Neue Isenburg und der Aussichtspunkt Korte-Klippe.
Als Seaside Beach Club lädt das ehemalige Freibad am Nordufer mit Sandstrand, Palmen, Wiesen, Beach-Volleyballfeldern, einer Surfschule und Cocktailbar ein. Das Baden im Baldeneysee verbieten die heutigen europäischen Qualitätsnormen für Badegewässer.
Der See als Sportstätte
Rudertraining, hinten: Förderturm der ehemaligen Zeche Carl Funke I
Die durchgehend ausgebauten Fuß- und Radwege rund um den See haben eine Länge von ca. 14 Kilometern. Hier findet seit 1963 der Marathon „Rund um den Baldeneysee“ statt. Alljährlich werden auf dem See Segelregatten mit teilweise überregionaler Bedeutung veranstaltet, darüber hinaus gibt es eine Regattastrecke für den Ruder- und Kanusport mit einer kleinen Zuschauertribüne. Hier werden Wettkämpfe bis hin zu Deutschen Meisterschaften ausgetragen. Der Baldeneysee verfügt über einen Regattaturm, welcher sich am Nordufer befindet und durch seine hohe Bauweise den Verantwortlichen einen guten Blick über den See ermöglicht. Das städtische Regattahaus mit Umkleide-, Wasch-, Aufenthalts- und Trainingsräumen beheimatet das Landesleistungszentrum für Kanurennsport, in dem zahlreiche Olympiasieger und Weltmeister trainieren. Rund um den See liegen einige Angelvereine, da sie hier ein gutes Angelrevier vorfinden.

Köln-Duitsland (60)

Köln - Dom und zerstörte Innenstadt
Keulen (Duits: Köln) is een stadsdistrict (kreisfreie Stadt) en metropool in Duitsland, in de deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, gelegen aan de Rijn, ten noorden van Bonn en ten zuiden van Neuss en Düsseldorf. Keulen is met 995.420 inwoners de vierde stad van Duitsland en de grootste van Noord-Rijnland-Westfalen. In de agglomeratie wonen ongeveer 2.500.000 mensen. Keulen is de hoofdstad van het Regierungsbezirk Keulen en de officieuze hoofdstad van het Rijnland.

De geschiedenis van de stad gaat meer dan 2000 jaar terug. Keulen speelde vanaf de Middeleeuwen een belangrijke rol in kerk en politiek. Vroeger was het onderdeel van keurvorstendom Keur-Keulen.
De stad is beroemd om zijn rijke geschiedenis, het culturele en architecturale erfgoed en een aantal grote en internationale evenementen, zoals het carnaval en de handelsbeurzen. Keulen beschikt tevens over een universiteit, een van de oudste van Europa, en over een luchthaven, die het deelt met Bonn.
Het huidige Keulen is door mensen bewoond sinds de oude steentijd, vooral op het Rheinau-Eiland en in de huidige wijken Lindenthal en Woeringen. Ook Kelten hebben aan de Keulse linker Rijnoever geleefd. Tot enkele decennia voor Christus leefden in het gebied dat tegenwoordig Keulen is de Eburonen. Nadat Julius Caesar hen had verslagen, kregen de Ubiërs toestemming zich hier te vestigen. Zij stichtten in 38 v.Chr. een nederzetting op een eilandje in de Rijn Oppidum Ubiorum. De nederzetting groeide uit tot een flinke stad. Ter ere van keizer Nero's in Keulen geboren moeder Agrippina, de latere echtgenote van keizer Claudius werd de stad omgedoopt tot Colonia Claudia Ara Agrippinensium (CCAA) en werd ommuurd.
Gedurende de Grote Volksverhuizing werd de stad bezet door de Franken die er ook een van hun belangrijkste bestuurscentra vestigden. Door alle invasies en onrust van de 4de tot en met 6e eeuw liep de bevolking wel flink terug, maar Keulen bleef nog steeds een van de grootste steden ten noorden van de Alpen.
Al in de vroege Middeleeuwen begon de stad weer te groeien omdat de ligging op het kruispunt van grote handelswegen en de Rijn belangrijk bleef. Ook de bisschop van Keulen bleef steeds een belangrijke figuur op het politieke toneel van de Middeleeuwen en domineerde ook lange tijd het zuidelijke grensgebied van het huidige Nederland. Vanaf ongeveer 953 behield de bisschop van Keulen slechts het wereldlijk gezag over een smalle strook van 150 km lang aan de linkeroever van de Rijn. Toch was dit voldoende om tot de voornaamste hoogwaardigheidsbekleders van het Heilige Roomse Rijk te horen, met name als keurvorst van het zogenaamde Keur-Keulen.
In de slag bij Woeringen in 1288 vocht het contingent van de Keulse burgers aan de kant van de hertog van Brabant, de vijand van de bisschop. Dankzij de nederlaag van de bisschop kon de stad zich van diens heerschappij bevrijden en in feite een onafhankelijke stadstaat worden middenin de rest van het keurvorstendom, dat onder het gezag van de bisschop bleef. Die bisschop zou voortaan zijn zetel hebben te Bonn. Rond 1367 was Keulen met 120.000 inwoners de grootste stad van het Rijk. In 1475 bevestigde keizer Frederik III officieel de status van Keulen als vrije rijksstad, en dat zou ze ruim drie eeuwen blijven.

Tijdens de reformatie bleven zowel de stad als het omliggende bisdom katholiek. Na de Vrede van Westfalen nam, naast de Beierse, ook de Franse invloed in Keulen toe. Bij de vrede van Lunéville kwam Keulen met de hele linker-Rijnoever bij de Franse Republiek.
Bij het Congres van Wenen na de val van Napoleon werd Keulen Pruisisch, maar het Franse recht bleef gelden. In de Nieuwe Tijd verminderde de invloed van Keulen buiten het Rijnland maar bleef de stad toch verreweg economisch, cultureel en staatsrechtelijk de belangrijkste stad tot aan de Industriële revolutie.
Het centrum van Keulen werd in de Tweede Wereldoorlog zwaar gebombardeerd. Nadat de verwoestingen van de oorlog hersteld waren, groeide de stad weer snel uit tot zijn aloude positie van een van de belangrijkste steden van Duitsland.
Topografie
Keulen ligt in de deelstaat Noord-Rijnland-Westfalen, op ongeveer 85 kilometer van de grens met Nederland. Keulen is met ruim 1 miljoen inwoners weliswaar de grootste stad in haar deelstaat, maar het is niet de hoofdstad, dat is namelijk Düsseldorf. Keulen ligt aan de Rijn, die een belangrijke functie vervult voor de stad en heeft bijgedragen aan de groei. Keulen heeft een belangrijke binnenhaven aan de Rijn.
Keulen strekt zich uit over een oppervlak van 405,15 km², waarvan 230,25 km² links van de Rijn en 174,87 km² rechts van de Rijn. Daarmee is het in oppervlakte de op vier na grootste stad van Duitsland. Het hoogste punt ligt op 118,04 meter in het natuurgebied Königsfrost, het laagste punt ligt in de Worringer Bruch (een oude Rijnarm) en ligt met een hoogte van 37,5 meter boven zee dus duidelijk onder de Keulse Rijnpijl.
Geologie
Keulen ligt grotendeels in de lagere rivierterrassen van de Rijn, die als brede trappen vanuit de rivier oplopen.
De ondergrond is voor het grotendeels in het Tertiair en gedeeltelijk in het Kwartair ontstaan en bestaat uit verschillende lagen riviersediment. Een uitzondering vormt het uiterste oosten van de stad, dat reeds aan de voet van het Rijnlands leisteenplateau ligt.
Door de grote oppervlakte die Keulen bestrijkt zijn er verschillen in de bodemgesteldheid en microklimaten aanwezig. Dankzij de Rijn en lössgebieden in het oosten is de bodem in het gebied over het algemeen erg vruchtbaar. Er liggen heide- en bosgebieden in het westen van het stadsgebied, waar het Bergisches Land begint.
------------------------------------------------------------
Dom van Keulen
De dom van Keulen (Dom St. Peter und Maria) is een gotische kathedraal in het centrum van de Duitse stad Keulen. Het is de hoofdkerk van het aartsbisdom Keulen. Het is de grootste kathedraal in Duitsland en een van de grootste van Europa. De bouw begon op 15 augustus 1248 en duurde 632 jaar. Vanaf de 157,38 meter hoge noordtoren en de 157,31 meter hoge zuidtoren (beide 509 treden), kan men de hele stad overzien. De dom is gebouwd in de vorm van een kruiskerk en is inclusief het schip en de torens 144,58 meter lang en 86,25 meter breed. Het gebouw heeft een bijzondere inventaris, waaronder enkele glas-in-loodramen die dateren uit de 14e en de 16e eeuw. Sinds 1996 staat de dom op de Werelderfgoedlijst.
Bouwgeschiedenis in de middeleeuwen
De huidige dom staat op de plek waar in de laatste jaren van het Romeinse Rijk christenen elkaar ontmoetten in Keulen. Verschillende kerken hebben sindsdien op die plek gestaan, maar de eerste waarvan men ongeveer weet hoe die eruit heeft gezien dateert uit 870. Het had aan beide kanten van het schip een koor, waarbij het oostelijke koor was gewijd aan de Heilige Maagd Maria en het westelijke koor aan de heilige Petrus. In 1164 bracht aartsbisschop Rainald von Dassel relikwieën van de heilige Drie Koningen vanuit Italië naar Keulen. Deze waren een geschenk van keizer Frederik Barbarossa. Hierna was de kerk niet langer alleen de kathedraal van het bisdom Keulen, maar ook meteen een van de belangrijkste pelgrimskerken in Europa.
Omdat men vond dat pelgrims naar een waardige kerk moesten kunnen komen, besloot men in 1225 de dom te vervangen door een nieuw gebouw in de moderne Franse gotische stijl. Men heeft daarop in 1248 het oostkoor laten afbranden. Op 15 augustus startte de bouw van de nieuwe dom onder leiding van bouwmeester Gerhard von Rile. Men begon met het oostelijke deel naar voorbeeld van de kathedraal van Amiens. In 1322 was het gotische koor zover gevorderd dat het kon worden ingewijd.
Vervolgens begon men met de bouw van een dwarsschip en twee westelijke torens. In 1410 reikte de zuidelijke toren van de dom tot aan de tweede geleding, maar toen stagneerde de bouw. Geldgebrek en desinteresse leidden tot een algehele bouwstop in 1528, toen nog steeds niet veel meer dan het koor en de onderste geledingen van de westelijke façade voltooid waren.
Toen in 1794 de revolutionaire troepen Keulen binnenvielen, vluchtten de aartsbisschop en het personeel van de dom. Daarna is het gebouw voor allerlei wereldlijke doelen gebruikt, onder andere als aandelenbeurs.
Voltooiing in de negentiende eeuw
In 1801 werd de dom weer als kerkgebouw ingewijd. In de jaren na de inwijding groeide het enthousiasme voor de voltooiing van dit godshuis. Niet in de laatste plaats omdat in 1814 en 1816 originele bouwplannen werden ontdekt uit de vroege veertiende eeuw. In 1842 zette men de bouw van de kathedraal weer voort. Ongeveer de helft van het geld kwam uit de Pruisische schatkist, de andere helft kwam van de Centrale Dombouw Stichting. Men hield zich precies aan de middeleeuwse plannen voor de dom, maar deze werden uitgevoerd met de voor die tijd moderne bouwtechnieken. In 1846 was het dwarsschip voltooid, ook het houten dakgeraamte was vervangen door een ijzeren dakgeraamte, iets dat bijzonder progressief was voor die tijd. Het koorwerk was een ontwerp van de Duits-Nederlandse Friedrich Wilhelm Mengelberg. In 1880 waren dan uiteindelijk de twee torens voltooid, en daarmee ook de bouw van de kathedraal. Dit was reden voor een groots nationaal feest waar ook de keizer bij aanwezig was. De dom zou tot 1890 (voltooiing van het munster van Ulm) het hoogste kerkgebouw en tot 1883 zelfs het hoogste bouwwerk in de wereld zijn.
Sinds de Tweede Wereldoorlog
Al is de dom in de Tweede Wereldoorlog geraakt door veertien zware luchtbommen, hij heeft de oorlog wel zonder desastreuze schade overleefd, omdat hij door de Amerikaanse vliegeniers werd gebruikt als oriëntatiepunt; bijna 90% van Keulen was platgebombardeerd.
Vele jaren van restauratie volgden en pas in 1956 was de kathedraal grotendeels weer hersteld. Sommige wonden van de oorlog zijn nog niet gerepareerd en gerestaureerd. Alleen al het feit dat de dom een eeuwigdurende bouwput is waar constant aan wordt gewerkt, laat zien dat de kathedraal voor veel mensen een grote waarde heeft. De instandhouding van de dom kost circa 14 miljoen euro per jaar.
Op 5 juli 2004 heeft Unesco de dom van Keulen op de lijst van bedreigde werelderfgoederen geplaatst. Allerhande bouwprojecten in de directe omgeving ervan zouden het gotische bouwwerk aantasten. In 2006 werd de dom weer van de Rode Lijst gehaald. Elk jaar is er dan ook een Unescodag.
Klokken
In de torens hangen 11 klokken die samen goed zijn voor een gewicht van 52.158 kg. De grootse klok is Dicker Pitter (24 000 kg + 700 kg klepel), de Sankt-Petersglocke. Deze klok uit 1923 is de grootse klok ter wereld die met vliegende klepel wordt geluid. Zij vervangt de beroemde Kaiserglock of Gloriosa, goed voor een gewicht van 27 180 kg, die tot 1918 in de zuidelijke domtoren hing. De klokken die in de torens hangen zijn wereldberoemd, en vele mensen komen speciaal luisteren naar het groot gelui, dat over de hele stad te horen is.

Limburg a.d. Lahn-Duitsland (59)

Limburg a.d. Lahn
Limburg a.d. Lahn is een gemeente in de Duitse deelstaat Hessen, gelegen in het district Limburg-Weilburg. De stad telt 33.504 inwoners.
Limburg a.d. Lahn heeft een oppervlakte van 45,15 km² en ligt in het centrum van Duitsland, iets ten westen van het geografisch middelpunt. Langs Limburg vloeit de Lahn. In Limburg is de zetel van het Bisdom Limburg. De kathedraal, die in 1235 gewijd werd, is een gaaf voorbeeld van laat-romaanse bouw, hoewel ook al enige vroeg-gotische elementen zichtbaar zijn.

Rosenheim-Duitsland (58)

Rosenheim - Hotel König

Die kreisfreie Stadt Rosenheim liegt im Zentrum des Landkreises Rosenheim (Oberbayern), dessen Kreisstadt sie zudem ist. Der westlich des Inn gelegene Ort im bayerischen Alpenvorland ist mit rund 61.000 Einwohnern die drittgrößte Stadt in Oberbayern und eines von 23 bayerischen Oberzentren. Damit ist Rosenheim das wirtschaftliche Zentrum, sowie verkehrsreichster Ort der Region.
Geographische Lage
Die Stadt ist ein wichtiger Verkehrsknotenpunkt zwischen München (ca. 60 km nordwestlich), Salzburg (ca. 80 km östlich) und Innsbruck (ca. 110 km südwestlich) sowie dem Brennerpass nach Italien (ca. 130 km). Durch Rosenheim führen die Eisenbahnstrecken München–Salzburg und München–Verona/Italien sowie die österreichische Eisenbahn-Transitstrecke Salzburg–Innsbruck. Nahe der Stadt liegt das Autobahndreieck Inntal, an dem die Inntal-Autobahn von der Autobahn München–Salzburg abzweigt (siehe auch Verkehr).
Rosenheim besitzt aufgrund seiner Lage einen hohen Freizeitwert; im näheren Umkreis von etwa 25 km befinden sich der Chiemsee, der Simssee und etwa ein Dutzend weiterer Badeseen sowie die Berge des nördlichen Alpenrands Wendelstein, Hochries und Kampenwand, die zum Skifahren, Wandern, Mountainbiken und Gleitschirm-/Drachenfliegen einladen.
Geologie
Die Landschaft unmittelbar um Rosenheim ist in ihrer jetzigen Form in der letzten Eiszeit durch das Vorrücken des Inntalgletschers und später durch den Rosenheimer See geprägt worden. Der See erstreckte sich noch vor ca. 10.000 Jahren über das gesamte Inntal bis in die Gegend von Wasserburg am Inn, gut 25 km nördlich von Rosenheim.
Noch heute ist an vielen Stellen rings um die Stadt zu erkennen, wie der frühere flache Seegrund plötzlich in die relativ steile Uferböschung übergeht.

dinsdag 8 december 2009

Niederbreisig am Rhein-Duitsland (57)

Bad Niederbreisig am Rhein
Bergstation Seilbahn
Bad Breisig ist eine Kurstadt im Landkreis Ahrweiler in Rheinland-Pfalz. Sie ist Verwaltungssitz der gleichnamigen Verbandsgemeinde, der die Stadt auch angehört.
Die Stadt gliedert sich in die Stadtteile Oberbreisig, Niederbreisig und Rheineck und ist gemäß Landesplanung ein Grundzentrum.
Bad Breisig liegt nördlich der Mündung des Vinxtbaches in den Rhein, der ein Grenzbach zwischen zwei römischen Provinzen war. Reiche Funde aus zwei Gräberfeldern weisen auf die Bedeutung des Siedlungsplatzes Oberbreisig zur Zeit der Landnahme der Franken hin. Zuerst eine Siedlung bei einem Kloster, erhielt Breisig im 14. Jahrhundert Marktrecht. Der Ort war der Mittelpunkt des dem Reichsstift Essen gehörigen sog. Breisiger Ländchens, in dem der Herzog von Jülich die Vogtrechte ausübte. Die Geschichte Breisigs war schon seit der Gründung eng mit der weiter im Süden gelegenen Stadt Andernach verbunden.
Im Herbst 1568 wird Breisig in die Kriegswirren des Unabhängigkeitskrieges der Niederlande gegen die spanische Fremdherrschaft hineingezogen. Breisig diente als Rückzugsort für die Truppen des Prinzen von Oranien.
In Bad Breisig lebte bis zu seiner Verhaftung infolge einer Denunziation der katholische Widerstandskämpfer gegen den Nationalsozialismus Karl Schapper (1879–1941).
Bad Breisig wurde am 7. Juni 1969 aus den bis dahin selbständigen Gemeinden Bad Niederbreisig (3.718 Einwohner), Oberbreisig (1.616) und Rheineck (251) neu gebildet. Am 2. Mai 1970 erhielt Bad Breisig die Stadtrechte.
1971 war der Bau eines Kernkraftwerks mit 1.300 MW geplant. 1980 wurden die Planungen eingestellt und stattdessen das Kernkraftwerk Mülheim-Kärlich errichtet.